19/06/2026

De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen (afdeling Gent) heeft na een procedure in kortgeding de Belgische Staat bevolen om een geïnterneerde in een instelling te plaatsen die is aangepast aan zijn specifieke zorgnoden. Als dit niet binnen een termijn van 30 dagen gebeurt, zal de Belgische Staat nadien een dagelijkse dwangsom van 250 euro moeten betalen. Volgens de rechtbank is het de taak van de overheid om een langetermijnbeleid te voeren waarbij geïnterneerden de zorgen kunnen krijgen die hen nationaal- en internationaalrechtelijk worden gegarandeerd.

Kortgeding 

De eiser in deze zaak is een man die sinds 27 april 2021 geïnterneerd is en in de gevangenis van Gent verblijft. Daar werd hij opgenomen op de Afdeling Bescherming Maatschappij (ABM), waar hij geniet van een (beperkte) psychiatrische omkadering en zorg.

De geïnterneerde vorderde in kort geding dat de rechtbank de Belgische Staat zou bevelen om hem in een instelling te plaatsen die is aangepast aan zijn specifieke zorgnoden (en die voldoet aan de Interneringswet). 

Beoordeling rechtbank hoogdringendheid van het kortgeding 

Voor de rechtbank is het vanzelfsprekend dat de eiser niet de zorg krijgt die hem wettelijk wordt gegarandeerd door artikel 2 van de Interneringswet. Daardoor lijdt hij schade en worden zijn belangen ernstig geschaad. De Belgische Staat betwist overigens niet dat de geïnterneerde al vijf jaar niet de vereiste zorg krijgt.

Met elke bijkomende dag detentie neemt de schade van de eiser toe. Volgens de rechtbank is een beslissing bij hoogdringendheid dus noodzakelijk om de schending van zijn belangen te doen ophouden en een verdere toename van zijn schade te voorkomen.

Beoordeling verantwoordelijkheid Belgische Staat

Het is voor de rechtbank duidelijk dat de mensenrechten van de geïnterneerde zijn geschonden door zijn jarenlange detentie in de gevangenis (in het bijzonder de artikelen 3 - onmenselijke behandeling en artikel 5 - recht op vrijheid van het Europees verdrag van de Rechten van de Mens).

De rechtbank stelt vast dat de Belgische Staat in deze zaak zelf niet betwistte dat het verblijf van geïnterneerden voor langere tijd in de ABM of de psychiatrische afdeling van een gevangenis niet conform het EVRM is. 

De rechtbank wijst op de structurele verantwoordelijkheid van de Belgische Staat bij de onrechtmatige opsluiting van geïnterneerden in de Belgische gevangenissen. Het staat immers vast dat de Belgische Staat al jarenlang op de hoogte is van de structurele schendingen van de mensenrechten van geïnterneerden. 

Zo oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in een arrest van 6 september 2016 reeds dat de Belgische Staat de mensenrechten van geïnterneerden structureel schendt door hen zonder passende zorg in de Belgische gevangenissen op te sluiten. Het EHRM stelde vast dat dit langdurige gebrek aan behandeling een schending inhield van artikel drie (onmenselijke behandeling) en artikel vijf (recht op vrijheid) van het EVRM. In meerdere navolgende arresten stelde het EHRM vast dat de Belgische Staat onvoldoende inspanningen leverde om aan de voormelde structurele problematiek tegemoet te komen.

Volgens de rechtbank kan de Belgische Staat zich dus onmogelijk blijven verschuilen achter de feitelijke onmogelijkheid om geïnterneerden (zoals eiser) adequate zorg te verlenen. Evenmin is er sprake van een overmachtssituatie. Het is immers de taak van de overheid om een langetermijnbeleid te voeren, budget te voorzien voor de meest kwetsbare mensen in de samenleving en voldoende capaciteiten en faciliteiten uit te bouwen waar geïnterneerden de zorgen kunnen krijgen die hen nationaal- en internationaalrechtelijk worden gegarandeerd. De Belgische Staat schiet hierin al tientallen jaren tekort.

Beoordeling redelijke termijn

Volgens de rechtbank stelt de Belgische Staat terecht dat een verblijf in de ABM of in de psychiatrische afdeling van de gevangenis kortstondig kan worden geduld. Dit gebeurt dan in afwachting van een overplaatsing naar een geschikte instelling of ziekenhuis waarin de geïnterneerde wél de passende zorg kan krijgen. 

In deze zaak verblijft de geïnterneerde echter al meer dan vijf jaar in de gevangenis. Men kan dus  onmogelijk stellen dat er op heden nog sprake is van een tijdelijke opsluiting of van een “noodzakelijke tussenstop” of “overgangsinrichting”.

Besluit 

Veel geïnterneerden (zoals de eiser in deze zaak) verblijven niet tijdelijk, maar structureel in de Belgische gevangenissen door een chronisch tekort aan capaciteit in aangepaste zorginstellingen. Voor de rechtbank is dit vanuit mensenrechtelijk oogpunt bijzonder problematisch en volstrekt onaanvaardbaar.

In deze zaak is het onmiskenbaar dat een verdere opsluiting van de geïnterneerde in een gevangenis een flagrante schending van zijn fundamentele mensenrechten vormt. Om die reden heeft de rechtbank de Belgische Staat bevolen om de geïnterneerde in een instelling te plaatsen die is aangepast aan zijn specifieke zorgnoden.

Beschikking

In onderstaande PDF kan u de volledige beschikking (geanonimiseerd) van de rechtbank nalezen.