24/02/2026

De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, sectie burgerlijke rechtbank, heeft uitspraak gedaan in een burgerlijke procedure tussen een in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigd technologiebedrijf (EANAN) en haar CEO enerzijds, en een journalist en twee mediabedrijven anderzijds.

De zaak betrof een artikel dat op 29 juni 2024 verscheen in De Tijd onder de titel “Belgen werken in Dubai aan Russische drones”. Een samenvatting van het artikel werd ook gepubliceerd op de website van het weekblad Knack. Het artikel behandelde de oprichting van een dronebedrijf in Dubai, de betrokkenheid van Belgische ondernemers en de link met een Russisch bedrijf gespecialiseerd in droneontwikkeling.

In het artikel werd de naam van het bedrijf EANAN vermeld. De CEO werd genoemd, maar niet bij naam geïdentificeerd. Het artikel kaderde in een onderzoeksjournalistiek project naar mogelijke verbanden tussen Russische drone-activiteiten en bedrijven actief in Dubai na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne.

EANAN en haar CEO meenden dat het artikel, door de manier waarop feiten en foto’s met elkaar in verband werden gebracht, onrechtmatige insinuaties bevatte. Volgens hen werd gesuggereerd dat het bedrijf betrokken zou zijn bij het ontwikkelen van drones voor Rusland, mogelijk in strijd met internationale sancties en contractuele verplichtingen. Zij stelden dat hun reputatie ernstig werd geschaad.

Bij beschikking van 29 juli 2024 had de kortgedingrechter in Brussel reeds geoordeeld dat de uitgever van De Tijd het volledige artikel vrij toegankelijk moest maken indien de oorspronkelijke titel behouden bleef. De uitgever van Knack werd verplicht de samenvatting offline te halen.

Ten gronde vorderden EANAN en haar CEO onder meer:

  • de verwijdering van het artikel en de samenvattingen,
  • het wissen van gegevens uit de persarchieven,
  • schadevergoedingen wegens reputatieschade,
  • en een vaststelling van schendingen van de algemene zorgvuldigheidsplicht, de Code van de Raad voor de Journalistiek en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

De journalist en de mediabedrijven beriepen zich op de persvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Zij stelden op hun beurt een tegenvordering in wegens vermeend tergend en roekeloos geding (zogenaamde SLAPP-procedure) en vroegen onder meer dat eisers het vonnis zouden meedelen aan derden aan wie zij eerder een brief hadden gestuurd.

De rechtbank erkent dat de publicaties mogelijk een impact hebben op de reputatie van het bedrijf en zijn CEO. Toch oordeelt zij dat de artikels niet onrechtmatig zijn.

De rechtbank benadrukt dat de pers als “waakhond van de democratie” een fundamentele rol vervult in het maatschappelijk debat over aangelegenheden van algemeen belang. De vrijheid van meningsuiting en persvrijheid vormen essentiële pijlers van een democratische samenleving. Deze vrijheden zijn niet absoluut, maar beperkingen zijn slechts toegestaan in uitzonderlijke gevallen en mits naleving van de wettelijke criteria.

Volgens de rechtbank:

  • moet een journalist waarheidsgetrouw berichten;
  • genieten waardeoordelen en conclusies een ruimere bescherming wanneer zij steunen op correcte feitelijke gegevens;
  • mag geen misbruik worden gemaakt van die bescherming.

In dit dossier stelde de rechtbank vast dat:

  • de in het artikel vermelde feiten niet als onjuist werden aangetoond;
  • geen expliciete beschuldigingen of rechtstreekse aantijgingen werden geformuleerd;
  • de publicatie bestond uit het samenbrengen van feitelijke elementen die waarheidsgetrouw waren;
  • geen ongeoorloofde verdachtmakingen werden gemaakt.

Dat bepaalde verbanden voor betrokkenen ongunstig of onaangenaam zijn, volstaat volgens de rechtbank niet om de publicatie als foutief of onrechtmatig te kwalificeren. De rechtbank oordeelt dan ook dat in dit geval de persvrijheid en vrijheid van meningsuiting zwaarder wegen dan het recht op bescherming van eer en goede naam.

De vorderingen van EANAN en haar CEO werden bijgevolg afgewezen.

De journalist en mediabedrijven voerden aan dat de procedure moest worden beschouwd als een “Strategic Lawsuit Against Public Participation” (SLAPP), met als doel publieke participatie te ontmoedigen. Zij verwezen naar de Europese SLAPP-richtlijn van 11 april 2024.

De rechtbank verduidelijkt dat deze richtlijn nog niet is omgezet in Belgisch recht en geen horizontale rechtstreekse werking heeft tussen private partijen. De richtlijn kan dus niet rechtstreeks als rechtsgrond worden ingeroepen.

De rechtbank onderzocht wel of sprake was van tergend en roekeloos geding in de zin van het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht. Zij oordeelt dat:

  • eisers de procedure hebben ingesteld vanuit de oprechte bekommernis om hun reputatie te beschermen;
  • niet is aangetoond dat zij met het voornaamste doel het publieke debat wilden smoren;
  • misbruik van procesrecht niet wordt vermoed en niet is bewezen;
  • het feit dat een vordering wordt afgewezen niet automatisch betekent dat zij roekeloos of kwaadwillig werd ingesteld.

Ook de tegenvordering wegens vermeend misbruik van procesrecht werd afgewezen.

 

Luc De Cleir
woordvoerder REA Antwerpen
0472/90.13.56

Luc.DeCleir@just.fgov.be