De voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel heeft uitspraak gedaan in een kortgedingprocedure ingeleid door een onderneming die het slachtoffer werd van phishing.
Via deze kortgedingprocedure vroeg de onderneming van haar bank een onmiddellijke terugbetaling van de gedebiteerde en niet gerecupereerde bedragen. De voorzitter heeft deze vraag in kort geding afgewezen.
De voorzitter oordeelde dat de vereiste hoogdringendheid om in kort geding te procederen, in deze zaak onvoldoende was aangetoond. De voorzitter benadrukte dat de onderneming haar zaak in een gewone procedure ten gronde zonder uitstel aan de rechtbank kon voorleggen. Het was dus niet noodzakelijk om gebruik te maken van de uitzonderlijke procedure van het kort geding.
Er is hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.