26/05/2026

De rechtbank van eerste aanleg Leuven heeft vandaag een beklaagde schuldig bevonden aan het aanzetten tot haat én aan het verspreiden van ideeën gebaseerd op rassuperioriteit of rassenhaat. De feiten speelden zich af in februari 2024 tijdens een lezing van beklaagde in een aula van de KU Leuven. Volgens de rechtbank had hij daarbij duidelijk de bedoeling om de aanwezigen aan te zetten tot een houding van onverdraagzaamheid of afkeer tegenover een bepaalde groep personen. De rechtbank houdt in haar bestraffing rekening met de straffen die al aan beklaagde waren opgelegd bij een eerdere veroordeling en beperkt zich daarom tot een bijkomende geldboete van 4.000 euro. 

Feiten 

De feiten deden zich voor op 28 februari 2024 in een aula van de KU Leuven. Op die avond organiseerde de Nationale Studentenvereniging Leuven (NSV) een lezing waarbij beklaagde gedurende twee uur zou spreken voor een publiek over het thema 'regeneratieve landbouw'.

De lezing bestond uit twee onderdelen. In een eerste deel hield beklaagde, bij wijze van inleiding, een monoloog van iets meer dan een uur. Aansluitend kreeg het publiek ongeveer een uur de gelegenheid om vragen te stellen, die door beklaagde werden beantwoord.

Hoewel het evenement aangekondigd stond als een lezing over regeneratieve landbouw, behandelde beklaagde voornamelijk andere maatschappelijke en politieke thema’s. Reeds bij aanvang gaf hij aan dat hij het ook wilde hebben over “een breed scala aan andere onderwerpen”. Tijdens de daaropvolgende twee uren kwamen diverse thema’s aan bod, waaronder diversiteit en de multiculturele samenleving, gelijkheid, vooroordelen, censuur, migratie, inburgering, de theorie van de omvolking, de Vlaamse cultuur, het onderscheid tussen geslacht en gender, kapitalisme en de vrije markt, pluralisme en de oorlog in Oekraïne. Slechts één vraag uit het publiek had betrekking op regeneratieve landbouw, deze vraag werd door beklaagde kort beantwoord.

Beklaagde moet zich voor de correctionele rechtbank verantwoorden voor drie tenlasteleggingen: het aanzetten tot haat of geweld op basis van nationaliteit of etnische afkomst (tenlastelegging A), het aanzetten tot haat of geweld op basis van geslacht of gender (tenlastelegging B), en het verspreiden van denkbeelden die gebaseerd zijn op rassuperioriteit of rassenhaat (tenlastelegging C).

Beklaagde beroept zich op zijn vrijheid van meningsuiting en betwist dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan een van de misdrijven onder de tenlasteleggingen. 

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt dat de vrijheid van meningsuiting een grondrecht is. Het wordt onder meer gewaarborgd door artikel 10 het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Belgische Grondwet (artikel 19). Politieke meningsuitingen, zoals gedaan door beklaagde tijdens zijn lezing van 28 februari 2024, genieten in beginsel de meest verregaande vorm van bescherming, omdat zij kunnen bijdragen aan het publieke debat. 

Het recht op vrijheid van meningsuiting is echter niet absoluut en kan aan beperkingen onderhevig zijn. In de context van de bestrijding van racisme en discriminatie heeft de Belgische wetgever daarom bepaalde publieke meningsuitingen strafbaar gesteld. Dit is onder meer het geval wanneer dergelijke meningen aanzetten tot haat of geweld of wanneer ze gestoeld zijn op rassuperioriteit of rassenhaat. 

Over de tenlastegelegde feiten oordeelt de rechtbank als volgt:

  • Tenlastelegging B:

    Het thema 'gender' kwam in de lezing van beklaagde slechts beperkt aan bod. Beklaagde stelde dat gender volgens hem een sociaal construct is dat geen weerspiegeling vormt van de maatschappelijke werkelijkheid. In zijn visie is enkel het onderscheid op basis van geslacht (sekse) relevant, niet dat op basis van genderidentiteit.

    Deze opvatting strookt niet met huidige maatschappelijke en wetenschappelijke inzichten en kan door sommigen als kwetsend, beledigend of aanstootgevend worden ervaren. De rechtbank stelt echter vast dat beklaagde dit standpunt niet verder heeft uitgediept. Het onderwerp werd slechts zijdelings vermeld en vormde niet de kern van zijn betoog.

    Dat beklaagde het concept gender heeft bekritiseerd, betekent niet dat hij heeft willen aanzetten tot haat of geweld tegen een groep of haar leden op basis van een van de beschermende criteria uit de Genderwet. 

    De rechtbank spreekt beklaagde daarom vrij voor tenlastelegging B (aanzetten tot haat of geweld op basis van geslacht of gender). 
     

  • Tenlasteleggingen A en C: 

    De rechtbank haalt in haar vonnis een aantal passages uit de lezing van beklaagde aan, maar verwijst in de eerste plaats naar de algemene strekking van de lezing.

    De thema’s migratie, (zogenaamd) ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming kwamen veelvuldig en op prominente wijze aan bod tijdens de lezing van beklaagde. Beklaagde nam uitgebreid de tijd om hierover zijn visie uiteen te zetten en trachtte zijn publiek duidelijk te overtuigen van zijn denkwijze.

    De kernboodschap van beklaagde was dat volgens hem een groot deel van de maatschappelijke problemen in Vlaanderen voortvloeit uit het feit dat de samenleving “superdivers” en “multicultureel” is geworden. In zijn betoog viseerde beklaagde daarbij herhaaldelijk één of meerdere bevolkingsgroepen, die hij zelf afbakende op basis van vermeend ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming. Tijdens de lezing uitte hij zich herhaaldelijk denigrerend over deze groepen en zette hij zijn publiek bewust aan tot haat of geweld ten aanzien van de betrokken personen.

    Op basis van de inhoud van de lezing en de context waarin deze plaatsvond, besluit de rechtbank dat de beklaagde het opzet had om zijn toehoorders doelbewust aan te sporen of aan te moedigen tot haat of geweld ten aanzien van personen op grond van een of meerdere criteria opgesomd in de Antiracismewet (nationaliteit, zogenaamd ras, afkomst of nationale of etnische afstamming). 

    Daarnaast merkt de rechtbank op dat de eigenlijke inhoud van de boodschap beklaagde niet mis te verstaan is en naadloos aansluit bij een ideologie gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat. Beklaagde gaf tijdens zijn lezing meermaals aan dat er volgens hem duidelijke verschillen zijn tussen verschillende bevolkingsgroepen op basis van (zogenaamd) ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming. Beklaagde schaarde zich tijdens zijn lezing volledig achter dit gedachtegoed, dat een minachtende en haatdragende strekking heeft en de fundamentele minderwaardigheid van een groep van personen uitdrukt.

    De rechtbank verklaart de beklaagde daarom schuldig aan tenlastelegging A (aanzetten tot haat of geweld op basis van nationaliteit of etnische afkomst) en aan tenlastelegging C (verspreiden van denkbeelden die gebaseerd zijn op rassuperioriteit of rassenhaat). 
     

Uitspraak rechtbank

De rechtbank van eerste aanleg Leuven verklaart de beklaagde schuldig aan tenlastelegging A en C en spreekt hem vrij voor tenlastelegging B. 

In haar vonnis verwijst de rechtbank ook naar het arrest van het hof van beroep Gent van 20 juni 2025, waarin de beklaagde werd veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. Hij kreeg toen een gevangenisstraf van 12 maanden met uitstel en een geldboete van 1.600 euro. Die eerdere feiten dateren uit de periode van 24 januari 2017 tot 6 september 2018.

De huidige feiten vonden weliswaar pas plaats op 28 februari 2024, maar werden gepleegd vóór de definitieve veroordeling door het hof van beroep. De rechtbank aanvaardt om die reden de eenheid van opzet en houdt rekening met de eerder opgelegde straffen door het hof van beroep.

Aangezien de huidige feiten maximaal gestraft kunnen worden met een gevangenisstraf van 1 jaar en een geldboete van 8.000 euro en er al een gevangenisstraf van 12 maanden met uitstel en een geldboete van 1.600 euro werd uitgesproken, beperkt de rechtbank zich tot het opleggen van een bijkomende geldboete van 4.000 euro. 
 

Motivering straf

Tijdens zijn lezing heeft beklaagde denkbeelden verspreid gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat. Hij heeft ook zijn publiek aangezet tot haat tegen personen op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming. 

De rechtbank tilt zwaar aan deze misdrijven, die volgens haar indruisen tegen de fundamenten van een democratische rechtstaat. De uitspraken van beklaagde dragen bij aan een klimaat van onverdraagzaamheid en verdeeldheid. Een democratische samenleving steunt op gelijke rechten en bescherming voor iedereen. Racisme ondermijnt het vertrouwen in de samenleving, zet bevolkingsgroepen tegen elkaar op en vergroot het risico op discriminatie, intimidatie, sociale uitsluiting en geweld.