26/06/2026

Op 26 juni 2026 sprak de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen een verval van de strafvordering uit, gezien er een miskenning was van de redelijke termijn van de behandeling van de strafzaak. Een vereffenaar en acht BVBA’s van eenzelfde restaurantketen werden gedagvaard. In totaal werd gedagvaard voor acht RSZ-inbreuken, acht inbreuken voor een onjuiste of onvolledige opstelling als werkgever van de individuele rekening en zes inbreuken voor het niet of niet op datum van invorderbaarheid uitbetalen van het loon van werknemers. 

De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn voor de uitoefening van de strafvordering, waarvan de overschrijding in concreto dient te worden beoordeeld, hier overschreden was, gezien er onverantwoorde periodes van stilstand waren in het onderzoek. De rechtbank oordeelde dat er een aanzienlijke periode van stilstand was geweest in de periode van 30 mei 2022 tot 31 oktober 2025. In de voorafgaande periode van 27 april 2021 tot 28 april 2022 werden slechts enkele onderzoeksdaden gesteld. 

De rechtbank oordeelde dat voor deze aanzienlijke periode van stilstand er geen enkele verantwoording voorlag en dat het onderzoek niet dermate complex was daar de feiten die voorlagen, reeds duidelijk afgelijnd waren na de eerste controle van 28 maart 2019. Nadien waren er wel nog nuttige onderzoeksdaden gesteld, oordeelde de rechtbank, in het bijzonder de becijfering door de RSZ, de analyse van een aantal digitale documenten en het afnemen van een aantal verhoren. De rechtbank oordeelde dat desalniettemin er minstens in de periode na 30 mei 2022 geen bijkomende onderzoeksdaden meer gesteld waren. Desondanks werd er pas op 7 november 2025 overgegaan tot dagvaarding. 

Voor de tenlasteleggingen inzake RSZ-inbreuken werd gedagvaard voor een bedrag van in totaal meer dan 1.300.000 euro ten aanzien van (gerekend per periode) 291 werknemers. Voor de tenlasteleggingen inzake de inbreuken van het onvolledig of onjuist opstellen van de individuele rekening als werkgever, werd tevens gedagvaard voor inbreuken ten aanzien van (gerekend per periode) 291 werknemers. Voor de zes inbreuken voor het niet of niet op datum van invorderbaarheid als werkgever uitbetalen van het loon van werknemers, werd gedagvaard ten aanzien van (gerekend per periode) 82 werknemers. 

Het verval van de strafvordering betekent evenwel niet dat de rechtbank geen uitspraak moet doen over de burgerlijke vorderingen.

Van acht burgerlijke partijen, werden zeven vorderingen van burgerlijke partijstelling onontvankelijk verklaard. Van een burgerlijke partij werd de vordering ontvankelijk verklaard, maar was ze ongegrond. Beklaagde werd veroordeeld tot betaling aan één burgerlijke partij (RSZ) van €1 provisionele schadevergoeding, zodat deze haar vordering nadien nog kan vervolledigen. 

 

Redelijke termijn

Artikel 6.1 EVRM stelt dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, iedereen recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Een gelijkaardige bepaling is artikel 14 IVBPR. 

Indien de rechtbank oordeelt dat er geen tijdige behandeling is geweest van de zaak, bijvoorbeeld door lange periodes van stilstand in het onderzoek of de procedure, rekening houdend met de complexiteit van de zaak en de houding van de partijen in het strafonderzoek, dan is de redelijke termijn overschreden. 

De rechter beoordeelt, in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn, welke van de hiervoor bedoelde gevolgen moet worden uitgesproken.

Artikel 27 V.T.Sv. stelt dat indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring kan uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken.

 

 

Luc De Cleir
woordvoerder REA Antwerpen
0472/90.13.56
Luc.DeCleir@just.fgov.be