Op 22 juni 2026 verklaarde de politierechtbank Limburg, afdeling Beringen, de strafvordering tegen een bestuurder die werd geflitst aan een gecorrigeerde snelheid van 188 km/u op een weg waar 90 km/u toegelaten was, vervallen wegens schending van het non bis in idem-beginsel. De rechtbank oordeelde dat de retributie die de stad Beringen eerder aanrekende voor de bestuurlijke inbeslagname van het voertuig, een punitief karakter had, waardoor een latere strafvervolging voor dezelfde feiten een dubbele bestraffing zou betekenen.
De feiten deden zich voor op 11 oktober 2025 te Beringen. Ü.P. reed er met een gecorrigeerde snelheid van 188 km/u op een weg waar een maximumsnelheid van 90 km/u gold. Zijn motorfiets werd bestuurlijk in beslag genomen door de stad Beringen. Voor de teruggave van het voertuig betaalde Ü.P. een retributie van 780 euro, samengesteld uit een forfaitair bedrag van 500 euro en een bewaarkost van 280 euro. Vervolgens werd hij ook strafrechtelijk vervolgd voor de snelheidsovertreding.
Voor de politierechtbank wierp de verdediging op dat deze tweede, strafrechtelijke vervolging neerkwam op een dubbele bestraffing voor dezelfde feiten, in strijd met het non bis in idem-beginsel.
De rechtbank onderzocht eerst of de retributie, ondanks haar bestuurlijke benaming, in werkelijkheid een strafkarakter had. Daarbij verwees zij naar de officiële tarieven die in strafzaken gelden voor het takelen en stallen van in beslag genomen voertuigen. De rechtbank stelde vast dat de door de stad Beringen aangerekende bedragen daar sterk van afwijken, en oordeelde dat de retributie wel degelijk een punitief karakter heeft.
Vervolgens toetste de rechtbank of de combinatie van de bestuurlijke retributie en de strafrechtelijke vervolging beantwoordde aan de voorwaarden die het Europees Hof voor de Mensenrechten heeft ontwikkeld om te beoordelen of parallelle procedures als één geïntegreerd en coherent sanctiesysteem kunnen worden beschouwd. Zij kwam tot het besluit dat dit hier niet het geval was: de bijkomende strafvervolging na de reeds betaalde retributie en de tijdelijke onbeschikbaarheid van het voertuig werd door de rechtbank als buitensporig beoordeeld, en het tijdsverloop tussen beide procedures als onvoorzienbaar.
Op die grond verklaarde de politierechtbank de strafvordering tegen Ü.P. vervallen. De kosten van de procedure, begroot op 34,05 euro, werden ten laste gelegd van de Belgische Staat.
Luc De Cleir
Woordvoerder hoven en rechtbanken Antwerpen – Limburg
Luc.DeCleir@just.fgov.be