04/06/2026

In een spoedprocedure heeft de ondernemingsrechtbank uitspraak gedaan in een aantal zaken van phishing, waarbij de gedupeerde klanten van een bank een vordering hebben ingesteld.

Concreet vragen deze klanten toepassing van artikel VII.43 van het Wetboek Economisch Recht dat bepaalt dat voor niet-toegestane betalingen de bank onmiddellijk de klanten moet terugbetalen, uiterlijk op de volgende werkdag. De rechtsleer stelt vast dat banken dit bijzonder vaak weigeren te doen omdat zij aanvoeren dat de klanten zelf grof nalatig zouden geweest zijn.

De ondernemingsrechtbank veroordeelt de bank om de wet na te leven: eerst betalen, daarna argumenteren. Concreet betekent dit dat de klanten volgens de wet onmiddellijk moeten worden vergoed, behoudens een aantal in de wet voorziene uitzonderingen, en dat de bank desgevallend daarna kan onderzoeken of de klanten zelf grof nalatig zijn geweest. Dit laatste wordt overigens in deze procedure niet beoordeeld.

Deze beslissing van de ondernemingsrechtbank is uitvoerbaar, dit betekent dat de klanten deze beschikking kunnen gebruiken om de banken te dwingen tot betaling, ook al tekent de bank deze beslissing beroep aan.

De volledige tekst van de beslissing vindt u via de link hierboven.