Virtuele beelden van seksueel misbruik van minderjarigen

31/07/2026

Feiten

Een man diende zich voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk te verantwoorden voor de vervaardiging van beelden van seksueel misbruik van een minderjarige, het bezit van dergelijke beelden, en het vervaardigen van inhoud van extreem pornografische of gewelddadige aard met de verzwarende omstandigheid dat de feiten werden gepleegd tegenover een minderjarige.

Het dossier werd opgestart naar aanleiding van een melding van de Cel voor Financiële Informatieverwerking inzake verdachte geldtransacties uitgevoerd door de beklaagde. In de periode van april 2023 tot en met mei 2024 werden verschillende bedragen overgeschreven naar een PayPal-rekening op naam van ‘Alicebunnie’, waarvan vermoed werd dat deze actief was in de verkoop van beelden van kindermisbruik die door artificiële intelligentie gegenereerd werden. Bij de uitlezing van het gsm-toestel van de beklaagde vond de politie diverse afbeeldingen en video’s die zij omschreef als ‘anime-afbeeldingen’ en ‘anime-video’s’ van jonge meisjes in seksuele context. Ook op de desktop van de beklaagde werden onder meer beelden aangetroffen die de politie catalogeerde als beelden van kindermisbruik die door AI werden gemaakt.

Beoordeling

De beklaagde gaf aan dat de afbeeldingen die op zijn gsm-toestel en desktop werden teruggevonden ‘furries’ of manga-tekeningen betrof die duidelijk niet-realistisch zijn en aldus niet onder de definitie van beelden van seksueel misbruik van een minderjarige in de zin van het Strafwetboek vallen.

De rechtbank gaf in het vonnis aan dat het de bedoeling van de wetgever was om onder beelden van seksueel misbruik van een minderjarige ook afbeeldingen te begrijpen van niet-bestaande minderjarigen die deelnemen aan expliciete seksuele gedragingen, of die de weergave behelzen van de geslachtsorganen van deze niet-bestaande minderjarigen voor primair seksuele doeleinden, op voorwaarde dat het gaat om realistische afbeeldingen.

Aangezien noch de wet, noch de parlementaire voorbereidingen van het bestaande wetgevend kader een definitie geven van wat moet worden begrepen onder het begrip ‘realistische afbeeldingen’, is de rechtbank van oordeel dat hieronder elke afbeelding valt die de werkelijkheid nauwkeurig nabootst, of dit nu een foto is, dan wel een afbeelding die geheel of deels via artificiële intelligentie werd gegenereerd, dan wel een afbeelding die getekend of geschilderd werd. Opdat een afbeelding van een niet-bestaande minderjarige realistisch zou zijn, is volgens de rechtbank vereist dat de afgebeelde minderjarige er op het eerste zicht moet uitzien als een levensechte minderjarige. Afbeeldingen waarvan meteen duidelijk is dat hierop geen levensechte minderjarige is afgebeeld, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen ‘realistische afbeeldingen’, hoe moreel verwerpelijk de afbeelding ook mag zijn.

Afgetoetst aan voornoemde definitie, oordeelde de rechtbank dat van een deel van de teruggevonden anime-afbeeldingen meteen duidelijk is dit niet gaat om afbeeldingen van een levensechte minderjarige zodat deze afbeeldingen niet vallen onder de definitie van beelden van seksueel misbruik van een minderjarige.

Er werden echter tevens levensechte tekeningen en met artificiële intelligentie gegenereerde afbeeldingen van niet-bestaande minderjarigen die deelnemen aan expliciete seksuele gedragingen, of die de weergave behelzen van de geslachtsorganen van deze minderjarige voor primair seksuele doeleinden, teruggevonden. Hoewel het op deze afbeeldingen telkens gaat om niet-bestaande minderjarigen, zien de afgebeelde minderjarigen er levensecht uit en beantwoorden zij aan de definitie van beelden van seksueel misbruik van een minderjarige in de zin van het Strafwetboek.

De beklaagde wordt dan ook veroordeeld voor het bezit van beelden van seksueel misbruik van een minderjarige.

Verder blijkt volgens de rechtbank dat de beklaagde zelf door middel van artificiële intelligentie beelden vervaardigde die een realistische afbeelding van niet-bestaande minderjarigen vormen, zodat de beklaagde zich niet alleen schuldig maakte aan het bezit, maar ook aan de vervaardiging van beelden van seksueel misbruik van een minderjarige.

Voor de tenlastelegging van bezit en vervaardigen van inhoud van extreem pornografische of gewelddadige aard gepleegd tegenover een minderjarige, werd de beklaagde vrijgesproken. Uit het strafdossier blijkt niet dat zich tussen de afbeeldingen die de beklaagde zelf vervaardigde afbeeldingen bevonden van minderjarigen die seksuele handelingen met dieren stelden (waarnaar het openbaar ministerie op de zitting verwees), noch andere afbeeldingen die beantwoorden aan de definitie van inhoud van extreem pornografische of gewelddadige aard.

Bestraffing

De rechtbank kende de beklaagde de gunst van de probatie-opschorting toe voor een periode van vier jaar.

Dit houdt in dat de beklaagde gedurende vier jaar de opgelegde probatievoorwaarden dient na te leven, waaronder de verplichting zich te laten begeleiden door een gespecialiseerde psychosociale en/of medische dienst met het oog op de aanpak van de problematiek inzake zijn seksualiteitsbeleving.

Indien de beklaagde de voorwaarden niet (correct) naleeft of nieuwe strafbare feiten pleegt, kan de opschorting worden herroepen.

Bij het bepalen van de eventuele straf en de strafmaat hield de rechtbank onder meer rekening met:

  • de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waarin deze werden gepleegd;
  • de persoonlijkheid van de beklaagde zoals die onder meer blijkt uit de gepleegde feiten en het gerechtelijk verleden;
  • het berokkende nadeel aan de maatschappij;
  • de leeftijd en actuele persoonlijke situatie van de beklaagde;
  • de meervoudige doelstellingen van de straftoemeting. Naast het uiten van de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van de door het misdrijf veroorzaakte schade, dient de straftoemeting ook het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van
    de dader en de bescherming van de maatschappij. Binnen de grenzen van de wet moet de rechter naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf zoeken;
  • de ongewenste neveneffecten van de straf ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving;
  • het gegeven dat virtuele beelden van seksueel misbruik van kinderen bijdragen aan de seksualisering van kinderen, wat maximaal moet worden vermeden. Artificiële intelligentie maakt het daarenboven mogelijk om goedkoop en op grote schaal beelden van seksueel misbruik van kinderen te produceren, wat de vraag naar kindermisbruikmateriaal in stand houdt en de drempel om ernaar op zoek te gaan verlaagt;
  • het gunstig strafverleden van de beklaagde die drie veroordelingen van de politierechtbank heeft, die weliswaar dateren van geruime tijd geleden;
  • het beknopt voorlichtingsrapport van 30 januari 2026 waaruit blijkt dat de beklaagde tot op het ogenblik van huidig strafonderzoek op vele vlakken stabiliteit kende, alsook dat de beklaagde in aanmerking komt voor een begeleidingstraject bij Fronta;
  • het gegeven dat de beklaagde op geloofwaardige wijze te kennen gaf intussen het ontoelaatbaar karakter van zijn handelen te hebben ingezien en zich openstelde om een begeleiding te volgen.