Ondernemingsrechtbank Gent verklaart vordering eigenaar MS Ethera ongegrond
De ondernemingsrechtbank van Gent (afdeling Brugge) heeft de vordering van de eigenaar en bemanning van olietanker MS Ethera ongegrond verklaard. Zij vroegen als voorlopige maatregel de toestemming om de haven van Zeebrugge te verlaten en hun reis verder te zetten. Volgens de ondernemingsrechtbank is er in dit geval geen sprake van een schorsing van de maatregel, maar van een nietigverklaring. En daarvoor is de voorzitter zetelend in kortgeding niet bevoegd.
Feiten
In de nacht van 28 februari op 1 maart 2026 enterde het Belgische leger de olietanker MS Ethera. Het schip, dat gelinkt werd aan de Russische schaduwvloot, werd naar de haven van Zeebrugge gebracht.
De FOD Mobiliteit en Vervoer en DG Scheepvaart stelden vast dat het schip onder een valse vlag voer en er ongeldige/vervalste certificaten aan boord waren. Zo bleek dat MS Ethera sinds 22 augustus 2025 in geen enkel scheepsregister stond ingeschreven.
Er werd een gerechtelijk onderzoek gestart, en een strafrechtelijk en administratief beslag gelegd. Het strafrechtelijk beslag is ondertussen opgeheven.
Vordering en procedure
De eigenaar van het schip en de bemanning eisten via voorlopige maatregel dat de Belgische overheid het schip onmiddellijk weer vrijgeeft. Zij stellen dat de Belgische overheid door de kaping van het schip handelingen heeft gesteld die onmiskenbaar in strijd waren met internationale bepalingen. Er werd een dwangsom gevorderd van 10.000 euro per dag vertraging waarop MS Ethera in de haven van Zeebrugge moet blijven.
De eisers vroegen zodoende bij wijze van voorlopige maatregel aan de ondernemingsrechtbank Gent de toestemming om met MS Ethera de haven van Zeebrugge te verlaten en hun reis (naar Sint-Petersburg) verder te zetten.
Beoordeling
De ondernemingsrechtbank Gent is van oordeel dat deze vordering niet als een voorlopige maatregel kan worden aanzien. Eens het schip de haven heeft verlaten, kiest het vervolgens via territoriale wateren de open zee en komt het nooit meer terug. Op die manier zou de ondernemingsrechtbank als kortgedingrechter, bij wijze van een voorlopige maatregel, de beslissing van de Belgische Staat teniet doen. Het gaat dan niet meer over een schorsing van een maatregel, maar over een nietigverklaring, wat een vordering te gronde is. En hiervoor is de ondernemingsrechtbank als kortgedingrechter niet bevoegd.