15/11/2021 - AC5 - uitspraak in hoger beroep te Antwerpen betreffende de financiële gevolgen van een verplichte sluiting ingevolge Covid.

15/11/2021

Uitspraak op 15/11/2021 door de AB5-kamer, als rechter in hoger beroep te Antwerpen betreffende de financiële gevolgen van een verplichte sluiting ingevolge Covid.

Krachtens het MB van 18 maart 2020 dienden handelszaken en winkels, behoudens een aantal uitzonderingen, gesloten te blijven vanaf 18 maart 2020. Vanaf 11 mei 2020 konden de ondernemingen die goederen of diensten aanbieden aan consumenten weer openen, onder bepaalde voorwaarden.

De vraag rees wie, binnen de handelshuurovereenkomst, de gevolgen van deze verplichte sluiting moet dragen. Met andere woorden: was de huurder nog huur verschuldigd voor deze periode, nu hij het gehuurde pand niet volgens de bestemming (een winkel om klanten te ontvangen) kon gebruiken.

De rechtsleer en de rechtspraak van de vrederechters was verdeeld.

De rechter in hoger beroep te Antwerpen besliste in een vonnis van 15 november 2021 dat, in dit concrete geval, beide partijen gezamenlijk de gevolgen moeten dragen van de opgelegde overheidsmaatregel en dat de financiële schade onder hen gelijk moet worden verdeeld. De overeengekomen huurprijs voor de uitbating van de handelszaak werd gehalveerd.

De rechter motiveerde zijn beslissing als volgt: “Contractpartijen zijn jegens elkaar gehouden tot loyale samenwerking waarbij zij rekening moeten houden met elkaars redelijke verwachtingen. Aangezien geen van de partijen enige schuld treft aan het onheil en met de gevolgen ervan onmogelijk door hen kon worden rekening gehouden, past het in het licht van al het voorgaande dat de risico’s gelijk worden verdeeld. Naar het oordeel van deze rechtbank correspondeert slechts deze remedie, gelet op alle concrete omstandigheden, met de wijze van uitoefening van de contractuele rechten die mag worden verwacht van normaal zorgvuldige en redelijk handelende contractpartijen, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden.”